Pseudomorfose

Bij beschrijvingen van mineralen zie je soms staan dat iets een pseudomorf of pseudomorfose is. Wat houdt dit precies in? Als we kijken naar het woord zie je dat het uit 2 delen bestaat. Pseudo heeft als betekenis onder meer ‘schijn’ en ‘gelijkend op’, maar ook ‘niet echt’ of ‘vals’. Morf betekent ‘vorm’. Als in de mineralogie het woord pseudomorfose gebruikt wordt wil dat zeggen dat er een verandering van het ene mineraal naar een ander heeft plaatsgevonden. Het oorspronkelijke mineraal is vervangen door een nieuw mineraal. In het geval van pseudomorfose is meestal de vorm van het eerste mineraal bewaard gebleven en heeft het tweede mineraal dus niet zijn eigenlijke bekende vorm. Vaak wordt dat beschreven als ‘mineraal B na mineraal A’, waarbij eerst het nieuwe mineraal genoemd wordt als zijnde gevormd na het oorspronkelijke mineraal. In het Engels heeft dit dan B after A. Vervanger na origineel.

Steatiet na kwarts pseudomorf

Op de foto hier zie je een duidelijk voorbeeld. Het kristal wat je ziet lijkt een heel typisch kwartskristal. Maar het oorspronkelijke mineraal dat het kristal gevormd heeft, dus de kwarts, is vervangen door een ander mineraal, in dit geval steatiet. Dis is dus een heel typisch voorbeeld van een pseudomorf mineraal waarbij het tweede mineraal de vorm van het eerste heeft bewaard. Dit voorbeeld kunnen we dus omschrijven als ‘Steatiet na kwarts’ of in het Engels ‘Steatite after quartz’.

Kwarts na anhydriet
Agaat na aragoniet pseudomorfose

Ook bij fossielen zie je dit verschijnsel af en toe. Dan is het fossiel zelf omgezet in een mineraal. Bekende voorbeelden zijn fossielen van pyriet, limoniet, calciet, kwarts en opaal. Hierbij is ook altijd de oorspronkelijke vorm van het fossiel bewaard gebleven en heeft het mineraal dus geen of weinig kristalgroei. Hooguit soms aan de binnenkant van zo’n fossiel, in een lege binnenruimte. Op de foto zie je een voorbeeld van een paar ammonieten die geheel van pyriet zijn. In het geval van een fossiel zeg je niet ‘Pyriet na ammoniet’, want het is nog steeds een ammoniet. Je zegt dan dat een fossiel ‘gepyritiseerd’ is. Ook fossiel hout dat gemineraliseerd is, is hier een voorbeeld van.

Gepyritiseerde ammonieten

Pseudomorfe mineralen kunnen op verschillende manieren ontstaan. Het kan zijn dat het oude mineraal oplost en gelijktijdig vervangen wordt door het andere mineraal. De oorspronkelijke vorm blijft, maar alle andere kenmerken veranderen. Dus de hardheid, soortelijk gewicht, inwendige kristalstructuur, kleur, etc zijn van het nieuwe mineraal. Dit type pseudomorfose heet ook wel infiltratie of vervangingspseudomorfose. Soms kan het zijn dat deze vervanging niet volledig is en dat bijvoorbeeld de kern van het nieuwe mineraal nog uit het oude mineraal bestaat.

Een andere vorm van pseumudomorfose is dat de chemische samenstelling gelijk blijft, maar de kristalstructuur verandert. Kijk naar calciet en aragoniet. Dit zijn beide calciumcarbonaten met twee verschillende inwendige kristalstructuren en heel veel verschillende uitwendige verschijningsvormen. Op het moment dat de ene vorm in de andere vorm overgaat verandert het kristal op moleculair niveau. De chemische samenstelling blijft gelijk, maar de rangschikking van de moleculen en het kristalrooster wijzigen terwijl het uiterlijk van het oude kristalstelsel behouden blijft. In dit geval spreken we van een allomorf of paramorf. Bij calciet en aragoniet zie je ook vaak de term polymorf voorbij komen. Polymorf wil letterlijk zeggen ‘meerdere vormen’, calciet en aragoniet zijn beide vormen of polymorfen van calciumcarbonaat. Dus verschillende mineralen met dezelfde chemische samenstelling, maar met andere kristalstelsels.

Een iets andere vorm hiervan is een allotroop. Dit gaat ook om verschillende kristallisaties van eenzelfde chemische samenstelling, maar in het geval van een allotroop gaat het om slechts 1 element. Voorbeeld hiervan is koolstof dat op verschillende manieren kan kristalliseren, onder meer als grafiet en als diamant.

Grafiet


Het kan ook voorkomen dat een mineraal wordt overgroeit met een ander mineraal. Het mineraal dat groeit over een ander mineraal neemt bij de groei vaak de vorm van het onderliggende mineraal aan. Soms als het eerste mineraal dan oplost blijft alleen de korst over met daarin de afdrukken van het oorspronkelijke mineraal. Soms wordt de plek van dit oude mineraal
ingenomen door een ander mineraal, maar soms blijft ook alleen de korst over. Dit noemen we epimorf. Op de foto zie je een voorbeeld van een stukje waarbij een kubisch kristal ooit overgroeid is geweest met chalcedoon, het onderliggende kristal is opgelost en alleen de chalcedoon korst is behouden. Deze heeft de vorm van negatieve kubussen.

Kwarts epimorf op fluoriet